Reisverslag Tanzania 2005
Tanzania is een prachtig land met mooie natuurparken. Het is een land dat, dank zij de eerste president Nyerere, de vrede tussen de vele verschillende stammen heeft weten te handhaven. Tanzania is ook een land dat arm is en waar je de armoede ervaart.
We kwamen met het vliegtuig in Dar es Salaam aan, de grootste stad van Tanzania. Een eerste project dat we in de buurt van Dar es Salaam bezochten is een straatkinderenproject geleid door een Belgische Witte pater. In Tanzania zijn veel straatkinderen. Gelukkig zijn er instanties die zich het lot van deze kinderen aantrekken en de kinderen een toekomst bieden.
We zijn vooral op zoek naar projecten waar Tanzanianen zelf proberen vanuit een toestand van armoede nieuwe wegen in te slaan, wegen die toekomstperspectief bieden. Zo’n project is bijvoorbeeld het ecologisch vrouwenproject in Gezaulole, een dorp ten zuiden van Dar es Salaam, een echt Afrikaans dorp aan de kust.
Een groep vrouwen in dit dorp zorgt voor onderdak en eten voor de gasten, laten je zien waar ze mee bezig zijn en brengen je in contact met Afrikanen. Het is een genot om in de omgeving van het dorp te wandelen en te zwemmen in de Indische oceaan. Je had daar meteen het gevoel in Afrika te zijn.
Om vanaf Dar es Salaam in het Noorden van het land te komen moet je een grote afstand afleggen. Gelukkig is de weg naar Moshi (dicht bij de grens met Kenia) geasfalteerd en rijden er goede bussen.
In Moshi en omgeving hebben we verschillende projecten van de organisatie MUHA bezocht. De bezoeken waren zeer afwisselend. Je wordt geconfronteerd met problemen en goede initiatieven om die op te lossen.
Zo bezochten we een opvanghuis voor Masaivrouwen die thuis mishandeld werden en nu in het huis een kans kregen om een opleiding te volgen. De Masaivrouwen zijn prachtig gekleed, kunnen mooi dansen en dragen heel aparte sieraden die ze zelf maken. Grote problemen waren er ook bij de watervoorziening. Het bezit van een pomp is mooi, maar je moet wel in staat zijn om hem te repareren als hij kapot gaat of het geld hebben om de pomp zo nodig te vervangen. Hoe ga je daar mee om? Geld vragen of geld lenen via microkrediet organisaties en zo uiteindelijk een reparatie of vernieuwing zelf bekostigen?
MUHA maakt zich ook zorgen om jongeren. Je houdt jongeren uit het criminele circuit door ze werk te verschaffen. We zagen hoe een groep jongeren uit klei stenen aan het bakken was. In deze activiteit worden ze financieel gesteund door MUHA. Maar het is voor de jongeren geen vetpot en de vraag is hoe ze met zo weinig verdienste bestaanszekerheid kunnen opbouwen zodat ze zelf een huis kunnen bouwen en een gezin kunnen stichten.
We bezochten ook een suikerfabriek en het ziekenhuis dat daarbij hoorde. Ook maakten we een safari in het Tarangire Nationale Park – een belevenis – en een avontuurlijke boottocht over het Victoriameer.
Zeer de moeite waard waren de bezoeken aan de projecten bij Walther de Nijs, een Wageningse ingenieur getrouwd met een Tanzaniaanse. Hij geeft leiding aan LISO (Local Initiatives Support Organization), een organisatie die de mensen stimuleert de problemen zelf aan te pakken; gebeurt dat, dan kunnen zij vervolgens ruggensteun van LISO krijgen.
LISO was onder andere betrokken bij de bouw van een school in een dorp. In overleg met de ouders werd besloten het eerste deel van de school door de ouders zelf te laten bouwen en bekostigen. De bovenbouw werd daarna door LISO gefinancierd en voor het dak stond de regering garant. Ook weet Walther jongeren te bewegen om te protesteren tegen de vrouwenbesnijdenis die daar algemeen voorkomt. In dans en toneel werden wij geconfronteerd met deze problematiek. Heel boeiend om dat te zien.
De reis was georganiseerd in samenwerking met de Stichting Oikos. Aan de reizen is een thema verbonden. Voor Tanzania kozen we, ook in verband met de milleniumdoelstellingen, het thema “eerlijke handel in katoen”. Hoe eerlijk of oneerlijk die handel is probeerden we in gesprekken met onder andere katoenboeren en door het bezoeken van fabrieken waar de katoen ontpit wordt te weten te komen. Het werd wel duidelijk dat tengevolge van subsidies van vooral Amerikaanse katoenboeren de wereldmarktprijs voor katoen laag was, zo laag dat de katoenboeren maar nauwelijks rond konden komen. In een slecht katoenjaar betekent dat voor hen dat je geen geld hebt om medicijnen te kopen of je kinderen naar school te laten gaan.
Eigenlijk zou het beter zijn als katoenboeren op de teelt van biologische katoen zouden overgaan. Wij waren enthousiast over wat we te zien en te horen kregen bij Bio-Re, een producent van biologische katoen. De boeren hoefden hier niet met gevaarlijke pesticiden te werken en kregen daarnaast veel meer bestaanszekerheid aangeboden. Al met al was het een heel afwisselende reis die we niet snel zullen vergeten.
— Karel van de Putte
