Home » Reisverslag Tanzania 2007

Reisverslag Tanzania 2007

Deelnemers reis: Doutje en Wim de Bock, Maria Klaar, Loes Polman, Greet van de Putte, Herman Vermaat, Thomas van de Wetering, Piet Buijsrogge (assistent reisbegeleider), Karel van de Putte (reisbegeleider)

29 augustus

Na een vliegreis van Schiphol, via Zürich en Nairobi, naar Dar es Salaam komen we veilig aan in Dar es Salaam. Daar worden we opgewacht door Francisco. Hij zorgt voor het transport naar ons hotel Econolodge. De drukte op de weg valt mee.

30 augustus

We staan niet al te vroeg op; even bijkomen van de lange reis. Na een karig ontbijt stappen we in een busje die ons naar Bagamoyo, 70 km ten noorden van Dar es Salaam, gaat brengen. Francisco heeft deze safari georganiseerd. Vorig jaar waren het Indiërs die de safari organiseerden. Francisco maakte mij er toen op attent dat het beter was om Tanzaniërs de eer van de organisatie te gunnen. Ik was het met hem eens en ben om die reden naar “Francisco” overgestapt. Wel een risico, want de Indiërs deden het goed. Na afloop moet ik zeggen: “goed gedaan” Francisco.

In Bagamoyo bezoeken we het slavenmuseum. Bagamoyo werd in de tweede helft van de 19e eeuw de belangrijkste haven aan de Oost-Afrikaanse kust. Dit was te danken aan de gunstige ligging ten opzichte van Zanzibar-stad met zijn belangrijke handelsmarkt. Per jaar gingen zo’n honderdduizend dragers vanuit het binnenland naar Bagamoyo.

Ze droegen ivoor en ander handelswaar. Bij het binnenkomen van Bagamoyo zongen ze een lied dat in het museum te lezen was:

“Be happy, my soul, let go all worries; soon the place of your yearnings is reached; the town of palms, Bagamoyo! Far away, how my heart was aching when I was thinking of you, you pearl, you place of happiness, Bagamoyo. There the women wear their hairs parted; you drink palmwine all the year around in the gardens of love, in Bagamoyo! The dhows arrive with streaming sails and take abroad the treasures of Africa in the harbour of Bagamoyo. Oh, what delight to see the ngomas (dances) where the lovely girls are swaying in dance at night, in Bagamoyo! Be quiet, my heart, all worries are gone! We are reaching Bagamoyo”.

Dat de dragers vaak volledig uitgeput aankwamen vermeldt het lied niet.

Maar in de tweede helft van de 19e eeuw was Bagamoyo ook nog het eindstation voor de Oost-Afrikaanse slavenhandel. Hun lied bij aankomst was een klaaglied:

My heart is bleeding; bleed my heart. On the fields at home we worked, singing and joking. Cruel men surrounded us, caught us like animals; chained us, one to one, like animals. My heart is bleeding; bleed my heart. My heart is bleeding; bleed my heart. Where are you, my father, my mother? Where are you, my brother, my sister? Where are you, my friends? Are you caught like me? I am so lonely! My heart is bleeding, bleed my heart. My heart is bleeding; bleed my heart. They forced us to march, miles and miles, not knowing where they take us. No hope anymore in my life! My heart is bleeding, bleed my heart. My heart is shivering, shiver my heart! I see the water which I have never seen! Water, water, water: up to the horizon! They push us into the water, on the dhows! I crush down my heart -no hope anymore.

De slavernij werd officieel afgeschaft in 1848. In de praktijk echter ging de slavenhandel nog jaren door. Katholieke missionarissen behorend tot de congregatie van de Heilige Geest (Spiritijnen) begonnen in 1868 een nieuwe missiepost in Bagamoyo en stichtten het dorp “Freedom Village”. Slaven werden vrijgekocht en opgevangen. De vrijgekochte slaven kregen onderdak, basisonderwijs en educatie in hoe je als christen moet leven. Sommigen kregen zelfs middelbaar onderwijs. Ook werden ze getraind in allerlei handvaardigheden. In die tijd ontstond de eerste kerk in Oost-Afrika. In deze kerk, die op het terrein staat, worden we herinnerd aan Livingstone. Het gebalsemde lichaam van hem verbleef één nacht in de toren van de kerk. Het was hier door dragers over een afstand van 1500 km naar toegebracht en de volgende dag verscheept naar Londen. Livingstone was een tegenstander van de slavernij en heeft zich hier ook tegen verzet.

We gaan ook nog naar het kerkhof. Daar liggen zowel missionarissen als vrijgekochte slaven; de laatste wel met kleinere kruizen op het graf. Wat opvalt is dat vele missionarissen op jonge leeftijd stierven. De tropische ziektes hebben hun tol geëist.

Op één van de gebouwen op het terrein staat een tekst die mij aanspreekt; de woorden zijn afkomstig van Mkape, de vorige president van Tanzania: “If you give me rice I will eat today. If you teach me how to grow rice, I’ll eat every day”.

Dan gaan we op weg naar de Kaole ruines, iets ten zuiden van Bagamoyo. Kaole ontstond in ongeveer 1300. Kaole werd een handelsplaats. Bij de stichting was een sultan betrokken. De moslims hebben zich op vreedzame wijze met de daar aanwezige bevolking gemengd. We vinden er nog de overblijfselen van een moskee uit de 13e eeuw; het trappetje naar het dak, gebruikt door de muezzin, is nog kompleet.

Daarnaast vinden we oude graven. Torens verschillend in hoogte geven een hiërarchie binnen de groep aan. De “chief” kreeg de hoogste toren bij zijn dood toebedeeld. Zijn vrouw kwam er met een wat lagere toren niet helemaal bekaaid van af. Eén grafbed was bestemd voor een paar dat elkander zo lief had. — Karel

31 augustus

Op deze dag staat een bezoek gepland aan een ontwikkelingscentrum voor vrouwen in Gezaulole, 15 km ten zuiden van Dar es Salaam; het project heeft de naam Kali Mata Ki Jai!, wat betekent “respect voor de zwarte vrouwen”.

We worden vanuit het hotel begeleid door Juliana, die er beeldschoon uit ziet. Eerst rijden we door Dar es Salaam, daarna met een ferry naar de overkant van het water. Na een rit over stoffige wegen komen we aan in ons onderkomen en worden we door de vrouwen begroet. De vrouwen hebben zelf een bank opgericht en kunnen hieruit lenen (microkrediet) om iets op te zetten. Ze zijn geschoold in boekhouding.

We bekijken kleurrijke kleden die ons getoond worden. Ze zijn veelal met opschrift. Zo lezen we, vrij vertaald: “Ik dank God wat voor wat mij gegeven is”. De kleden zijn dubbel gestikt met prachtige kleuren. Een aantal kleden wisselen van eigenaar voor 10.000 tot 30.000 Tanzaniaanse Shilling (€ 6.00 tot € 18.00).

We worden nu in drie groepen verdeeld; per groep worden we begeleid naar een huis waar de lunch op ons staat te wachten. Daar moet wel voor gelopen worden. Uiteindelijk komen we dichtbij het strand. Drie gastvrouwen zijn druk bezig de lunch zo smakelijk mogelijk voor te bereiden. Kleden worden aangedragen en later komt er ook verse kokosnotenmelk. We waren behoorlijk uitgedroogd door de trip.

De drie vrouwen onder leiding van Angela hebben heerlijk eten klaar getoverd! Na het eten gaan we zwemmen in de Indische oceaan. — Thomas

1 september

We zijn nog een dag in Gezaulole. Gisteravond zagen we een prachtige sterrenhemel. De maan en een zaklamp zorgen er voor dat we nog zien waar we lopen. We slapen onder de klamboe en horen vroege geluiden van vogels, een koe, een zoemende vlieg, kinderstemmen en hanengekraai. Wat is het hier heerlijk stil zo zonder verkeerslawaai. Juliana en de vrouwen zorgen voor het ontbijt dat bestaat uit pannenkoeken en een banaan. Juliana woont zelf in een éénkamerwoning in het slaapgebouwtje dat normaal als vergaderruimte dient.

Vanmorgen gaan we naar een pottenbakker. Deze man is ook voorganger van een evangelische kerk en hij wil graag shillings om een kerk te kunnen bouwen. Met zijn lange soepele vingers maakt hij zonder gereedschap een mooi potje. Moeder kijkt toe en int het geld wanneer wij iets van hem kopen. In dit uitgestrekte dorp staan de huizen ver uit elkaar. Bij de schoenmaker laat ik mijn schoen repareren. Kosten 6 euro cent.

Op zoek naar een flesje drinken zien we zomaar een mooi stenen huis. Mannen dragen witte lange hemden met een print van de Ethiopische keizer Haile Selassie. Ook dragen ze dreadlocks. Ze begroeten ons met de woorden: peace and love. We worden vriendelijk ontvangen en er wordt thee voor ons gezet. Ze vertellen over hun idealen. Ze hebben jaren in Portugal gewerkt maar wilden iets doen voor hun land Tanzania.

Het gaat hen om het bewaren van de Tanzaniaanse cultuur. Er wordt een camping aangelegd om vijftig gasten te kunnen ontvangen. Ze gebruiken zonne-energie en we zagen het al meteen, hier is licht. Ze geven cursus in leerbewerking, muziek, schilderen, houtbewerking enz. Zelf maken ze deze producten om te verkopen. Ook wilden ze iets voor de kinderen doen. Op den duur kregen ze het vertrouwen van de dorpsbewoners en nu komen er dagelijks, kinderen, een soort naschoolse opvang. De mannen en hun gezinnen maken deel uit van de Rastafaribeweging. Naast de bijbel wordt er inspiratie op gedaan uit de geschriften van Afrikaanse profeten uit dezelfde tijd als de boeken in de bijbel.

Lopend in het dorp ontdekken we winkeltjes. Ze zijn vaak niet groter dan een kast. We kopen tandpasta, een stukje zeep, een pakje koekjes. Alles in mini mini verpakking. Wanneer we naar de bus lopen voor de terugreis naar Dar es Salaam komen de vrouwen naar voren met Juliana en zingen ons uit. Het was een mooie dag. — Doutje

2 september

Vandaag maken wij een lange busrit van Dar es Salaam naar Same. De weg is goed maar we schrikken steeds van spelende kinderen langs de weg, fietsers en lopende mensen. De chauffeur claxonneert voor meer ruimte maar we passeren vaak rakelings. Wanneer we ergens stoppen komen er meteen vrouwen en mannen die broodjes, cake, water, pinda’s bananen en nog meer willen verkopen.

We verbazen ons over de afgeladen fietsen. Lopend met de last op het hoofd worden zaken vervoerd, maar het is niet te geloven wat er allemaal op een fiets past. We zien, stenen, zakken cement, balen gras, kippen in grote manden, volwassenen en kinderen en een grote hoeveelheid plastic emmers. De fiets wordt geduwd en is onder de last nauwelijks meer te zien.

Wat groeit er op het land? We zien: kokospalmen, bananenbomen, sisalplanten. maar vaker nog zien we kale savannes. We rijden uren en uren door onvruchtbaar land, zeker nu in het droge seizoen. Wanneer het voldoende zou regenen is de rode aarde niet onvruchtbaar heb ik me laten vertellen. We zien kuddes geiten en koeien. Magere beesten die hun best moeten doen eten te vinden tussen dorens en distels. Ergens een polletje gras zoeken daar gaat het om.

Hier en daar zien we groepjes hutten. De hutten zijn soms van leem gebouwd met een rieten dak, We zien ook huizen van steen met een dak van golfplaat. Dit laatste is een zekere luxe.

Het is zondag en we zien groepjes mensen zitten in de schaduw van een boom. In een wat groter dorp lopen vrouwen met tasjes en mannen in donkere broeken en witte overhemden. Keurig gekleed op weg naar de kerk. Op een bus staat met grote letters: in God we trust. We willen voor donker op onze bestemming zijn. We hebben haast. De bijrijder deelt koekjes en drinken uit. Het is de scandinavian lijnbus en men is aan tijd gebonden. Er wordt een half uur gestopt voor kip en patat. We eten dit in de bus op. Keurig op tijd arriveren we in Same. Het was een lange rit maar goed te doen. We logeren vijf nachten in ons motel in Same en genieten van de mooie tuin met zitjes onder de bomen, van de koffie en het Kilimanjaro bier. — Doutje

3 september

Na het ontbijt, dat vergeleken met de voorgaande dagen erg uitgebreid is, brengen we een bezoek aan het District Hospital van Same. Het staat ten dienste van 250.000 mensen in dit district. We worden begeleid door de arts Norbert Mchomvu.

Het ziekenhuis is geadopteerd door de gemeente Tilburg en dit resulteert in geldelijke steun vanuit Nederland. Daarnaast is er een partnership met de universiteit in Groningen. En met support van R.O.C. Brabant worden er aanvullende gebouwen neergezet.

Het consultatiebureau geeft adviezen aan aanstaande moeders en moeders over bijvoorbeeld voeding, infecties e.a. Voor HIV-moeders (6 –8%) is er een speciaal programma voor de kinderen, geboren zonder infectie. Deze vrouwen worden geadviseerd hun kinderen niet zelf borstvoeding te geven, want het virus kan slapende zijn en er blijft altijd het dreigende gevaar voor besmetting.

De lopende operaties worden door de artsen van het ziekenhuis uitgevoerd, voor bijzondere operaties worden chirurgen uit Moshi aangetrokken. Wandelend door het gebouw komen we langs het waslokaal en constateren dat de wasmachine veel te klein is en er veel wasgoed met de hand gewassen moet worden.

Er is hier ook een tandartsenpraktijk en een afdeling waar ogen gecontroleerd kunnen worden. Voor een oogoperatie moet men naar Moshi.

Het mortuarium op het terrein van het ziekenhuis heeft geen goede koeling, daarom worden de dode lichamen op de grond gelegd en zo snel mogelijk (binnen twee dagen) door de familie begraven.

We bezoeken twee smederijen en zien hoe het ijzer in het vuur wordt verhit, aangewakkerd door een blaasbalg. Roodgloeiend wordt het op een aambeeld gelegd en in de goede vorm gebracht.

Een echte Afrikaanse groentenmarkt, kleurige producten, prachtig uitgestald. Norbert laat ons zien hoe een baobabvrucht er van binnen uit ziet. We eten de pitten, die een beetje zuur smaken en veel vitamine C bevatten. In de kathedraal van het bisdom Same is iedere dag meerdere malen dienst, te beginnen om 6.30u ’s morgens. Deze kerk heeft een samenwerkingsverband met een kerk in Duitsland. — Loes

4 september

We beginnen deze dag met een bezoek aan de postoffice, waar militairen de wacht houden. Karel vult zijn geldvoorraad aan en wij krijgen allemaal 40.000 shilling om te verpatsen. Fotograferen hier is uit de boze. En dan beginnen we onze tocht door de steppen, waar de Maasai hun koeien en geiten hoeden. Langs een steenachtig pad, een weg kan je ’t bijna niet noemen, rijden we naar het dorp Kisangaraa, hoog in de bergen gelegen. Het uitzicht hier is prachtig.

Ons eerste bezoek geldt de secondary school Ngujini, een gouvernementsschool. Na twee jaar onderwijs volgt een nationaal examen en wanneer je 4 klassen met goed gevolg hebt volbracht is er een selectieprocedure voor de vijfde klas; knappe koppen kunnen eventueel naar de universiteit. De vakantieperiode is hier in december en januari en de examens worden in de maanden mei en december afgenomen.

Nadat Piet de leerlingen op zijn geheel eigen manier een hart onder de riem heeft gestoken, gaan wij naar het huis waar de aartsbisschop van Arusha is geboren. Zijn moeder een zeer oude vrouw van 95 jaar woont hier nog steeds met haar jongste zoon, die haar verzorgt. De familie behoort tot de Pare stam.

1500 m. hoog in de bergen zijn we. Langs een snellere, maar net zo slechte weg , soms verhard, dan weer zand, rijden we naar beneden en arriveren bij een gemeenschap van vissers. Onderweg komen we bij een wel met heerlijk warm en helder water. Een plaatselijke bewoner neemt er een duik. Een ander fenomeen is het stuwmeer, waar elektriciteit wordt opgewekt. Uit veiligheidsoverwegingen mogen daar geen foto’s gemaakt worden. Maar de vissersbootjes leveren prachtige plaatjes.

Terug in het dorp stoppen we bij een vrouw, die een visrokerijtje heeft. Tegen betaling van 50 shilling mogen we er één proeven en constateren we dat de smaak wel goed is maar de consistentie een beetje droog. De kinderen in het dorp zijn door het dolle heen als ze ons foto’s zien maken.— Loes

5 september

Vandaag brengen we een bezoek aan de Hedarugemeenschap. We blijven hier maar kort. Nadat we bij de rivier onze lunch hebben gebruikt, gaan we naar het irrigatieproject in Bwiko.

Op de eerste locatie wordt ons verteld hoe het water door een dam, die de rivier gedeeltelijk afsluit, wordt omgeleid; even verderop wordt dan de benodigde toevoer naar een te bevloeien gebied geregeld.

Dan komen we bij twee aangelegde vijvers, waar vissen gekweekt worden.

In de rechter vijver zwemmen de tilapia’s totdat ze een bepaalde maat hebben.

Dan worden ze overgeheveld naar de linker vijver, zodat ze nog groter kunnen worden en intussen wordt de rechtervijver weer gevuld met kleine visjes. Aan het water voegt men koeienmest toe, zodat het water donker wordt en vogels de vissen niet zien. Kalk in het water doodt de bacteriën en zorgt voor de goede pH.

Tenslotte zien we in een grote tuin de gewassen goed groeien doordat men het water op kunstmatige manier daarheen kan brengen en de groeivoorwaarden in gunstige zin worden beïnvloed.

Het jatrophaproject: In dit proefproject gaat het om het kweken van de jatropfaplant. De vruchten bevatten olie die zowel voor menselijke als voor industriele doeleinden (biodiesel, zeep en kaarsen) wordt gebruikt. De schil wordt gebruikt voor de productie van biogas; de schil is te scherp om als veevoer gebruikt te kunnen worden. De plant groeit goed op arme grond ,heeft weinig water nodig en wanneer de voorwaarden gunstig zijn kan ze wel tweemaal per jaar vrucht dragen. — Loes

6 september

Ontmoeting met Maasai op marktdag in een dorp aan een doorwaadbare plek aan de Pangani (Ruvu) rivier.

Na een korte stop in Same voor boodschappen bogen wij links een rood landweggetje in, dat ons door droge steppe, soms langs een paar huizen en over gaten en door geulen. Wij kruisten de oude spoorlijn naar Moshi, die hooguit nog voor langzame goederentransporten gebruikt kan worden. Er liggen smalspoorrails die voor de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers gelegd waren. Voor dit soort spoor is nergens meer materieel te koop. De regering denkt erover na om dit spoornet te vervangen, maar de kosten zijn (nog) niet op te brengen. Een effectief spoornet zal de overbelaste wegen ontlasten en het transport van goederen, grondstoffen en het personenvervoer geweldig bevorderen.

Verder reden wij door een droog rivierbed en gauw veranderde de rode aarde in vaalgrauwe grond, het werd nog droger en de vegetatie schaarser. In de verte dook een groen lint op, daar moest een rivier lopen. Af en toe kwamen wij Maasaivrouwen tegen met een paar ezels, zwaarbeladen met grote gele bussen. Watertransport! Niet alle Maasai wonen dicht bij de rivier en mensen en runderen moeten immers drinken.

Steeds verder voerde onze weg de ‘bush’ in en de bewoonde wereld verdween.

Aangekomen in Lesirwai, aan de oever van een hier zeer brede, maar voor mensen en grote dieren doorwaadbare rivier stapten wij in de fascinerende en kleurrijke wereld van de Maasai. Er zaten vrouwen in grote sufurias (aluminium potten) op houtskoolvuurtjes te koken en daarnaast roosterden mannen stukken aan stokken geregen geitenvlees. Het eten zal straks in porties in bananenbladeren verpakt worden en dient als voedsel voor de mannen die met hun vee naar een 40 km van hier te houden veemarkt zullen trekken. Ze zullen de lange weg daarheen te voet afleggen en moeten ook weer terug. Helaas voor de vrouwen zal veel van het met de verkoop van dieren verdiende geld onmiddellijk in drank (traditioneel gebrouwen bier) opgaan.

Geiten, schapen, fietsen en andere lasten worden door vrouwen en mannen met opgeschorte kleren door de rivier gedragen. De koeien lopen gewoon zelf door het stromende water. Het is een indrukwekkend beeld als een grote kudde langzaam door de rivier onze kant afkomt.

In het plaatsje Lesirwai is vandaag een kleine markt en veel mensen komen er op af. Er wordt druk gehandeld en afgedongen. Naast gekleurde doeken , voedingsmiddelen, zeep en waspoeder worden ook traditionele geneesmiddelen aangeboden. Trots laat ons een handelaar een fles met een bruine vloeistof zien: goed voor wonden en het beschermt koeien tegen ongedierte zoals teken.

Een jonge rijzige man met een fiets begroet Dr. Mchomvu. Het is een gezondheidswerker (Village Health Worker), die een korte opleiding en een fiets van de diocese kreeg, maar verder vrijwilligerswerk onder zijn dorpsgenoten doet. Hij vertelt over zijn werk en zijn problemen ermee. Omdat het weide- en trekgebied van de nomadische Maasai steeds kleiner wordt (oprukkend landbouwgebied en beschermde Nationale Parken) probeert de regering om de Maasai ‘honkvast’ te maken, zich ergens te vestigen en op akkerbouw en economisch en ecologisch efficiëntere veeteelt over te gaan. Dat lukt maar zeer beperkt, het nomadenbestaan is oeroude traditie en een Maasaiman ontleent zijn status aan de hoeveelheid runderen die hij bezit. Ze zijn gewend aan een dieet van melk, bloed en vlees en kunnen ander voedsel niet zonder meer verteren. De vrouwen zijn gewend om met groente, mais, kip enz. te koken, maar veel van hun mannen vinden dat maar vreemde kost. Vis eten ze principieel niet, ook al wonen ze zoals hier aan een visrijke rivier.

In het naburige dorp Marwa is een school gebouwd en een gezondheidspost beloofd. Dat wil soms helpen om een nederzetting permanent te maken. Als mensen zo dicht bij elkaar wonen wordt hygiëne een noodzaak; de Healthworker doet zijn best om mensen ervan te overtuigen dat het bouwen van latrines en betere ventilatie in hun huizen grote nut voor de gezondheid van de familie heeft. In een jaar werk is zijn succes nog klein: tien latrines zijn gegraven.

Hij vertelt dat gisteren een functionaris uit Same voorlichting over HIV/Aids preventie gaf. Een moeilijk onderwerp, gezien de seksuele tradities van de Maasai, zoals wife-sharing en het ongedwongen seksuele verkeer tussen jongeren. Als een vriend op bezoek komt wordt hem de vrouw (of een van de vrouwen) van de gastheer als slaapmaatje aangeboden, wat hij niet mag weigeren. Omgekeerd wordt bij een tegenbezoek de zelfde gunst verwacht.

Mannen trouwen laat, na een lange tijd zonder familieverplichtingen. Na de initiatieperiode worden ze Morani, krijger. Ze maken zich mooi met oker, dragen kunstvolle kapsels en vermaken zich met dansen. Vroeger was dit hun tijd van jagen en het verdedigen van de stam. Om de status van man te veroveren moesten zij een leeuw of een vijand doden. Dat mag niet meer en ook op het roven van koeien staat een straf. Ze hangen nu wat rond en vervelen zich; de alcohol lokt.

Later mogen ze met een zeer jonge vrouw trouwen. Het wordt niet op prijs gesteld dat deze nog maagd is. In dat geval mag hij ze terugsturen of de vader van de bruid moet een van de betaalde koeien teruggeven. Zwangerschap of kinderen van de bruid zijn geen bezwaar, bewijzen toch dat het meisje vruchtbaar is. Een man mag zo veel vrouwen bezitten als hij kan betalen.

De meisjes worden hier nog allemaal besneden, hebben anders geen kans om een man te krijgen. Alle campagnes tegen dit verminkende en in onze ogen gruwelijke gebruik zijn tot op heden mislukt.

Dr. Mchomvu wordt verzocht om naar een vrouw te komen kijken die gisteren door een slang werd gebeten. Gelukkig is het niet ernstig en de vrouw krijgt een pleister uit Karels verbanddoos op de wond. Op onze vraag legt de gezondheidswerker uit wat traditioneel bij slangenbeten wordt gedaan. Op de wond wordt een “zwarte steen” gedrukt om het gif te absorberen. De “steen” is uit gebrande beenderen en houtskool vervaardigd. Bovendien moet het slachtoffer schapenvet drinken tot hij moet overgeven en diarree krijgt. Daardoor hoopt men dat het lichaam gezuiverd wordt van het gif. Dr. Mchomvu. legt uit dat de zwarte steen nut kan hebben, mits onmiddellijk beschikbaar, maar dat het reinigingsritueel met schapenvet wetenschappelijk niet te verantwoorden is.

Teruglopend naar de rivier komen wij weer vrouwen met zwaarbeladen ezels tegen en trekt opnieuw een grote kudde door het water. Ondertussen werd voor ons een bord met stukjes geroosterd geitenvlees klaargezet. Weigeren zal onbeleefd zijn en dus proef ik een stukje. Het is lekker mals. Van alle kanten word ik gevraagd waar wij vandaan komen, wat wij hier doen en of wij hen kunnen helpen. Een westers geklede man begroet ons in het Engels. Het is de leraar van de basisschool in Marwa. Na het werk zal hij gauw zijn Maasaikleren aantrekken, vertelt hij. Overal langs de oevers liggen of hangen kleurrijke doeken te drogen, zoals ze de mannen dragen, vooral geruit of gestreept, veel rood en paars en blauw. De kaalgeschoren Maasaivrouwen dragen genaaide gewaden, soms een doek erover gedrapeerd en veel sierraden om pols en hals, oorringen en hoofdbanden waarin veel kleurige kralen verwerkt zijn. Wij nemen afscheid en onze gastheer en chauffeur denkt een kortere weg terug te nemen. Het wordt een lange en stoffige omweg. Gelukkig komen wij een vrachtwagen tegen en kan de bestuurder ons de juiste weg wijzen.

Stoffig, maar zeer voldaan keren wij terug naar Elefant-Lodge. Wat een dag! Voor ons gevoel waren wij “in the middle of nowhere”, maar wel in het hart van de wereld van de Maasai, trotse mooie en tot onze verbeelding sprekende mensen. Hun wereld en tradities worden bedreigd door “vooruitgang”, ziektes, generatieconflicten en misbruik van alcohol.

Zoals eerder afgesproken kwam Dr. Mchomvu in de namiddag terug naar Elefant-Lodge om over zijn werk als coördinator van health en development projects in de diocese Same te berichten.

De diocese is verantwoordelijk voor twee districten, namelijk Same en Mwanga. Deze zijn weer onderverdeeld in decanaten.

De organisatie bestaat uit een Pastoraal Departement met zeven afdelingen en een Development Departement, waarvan Dr. Norbert Mchomvu de leiding heeft. Daaronder vallen:

Gezondheidsdiensten

Educatieve diensten inclusief Preschool

Nutrition

Gender (Vrouwen)

Caritas

Agriculture en Forest, Waterdevelopment, en Food for Work projecten om bijvoorbeeld wegen aan te leggen en te onderhouden, waterputten en latrines te bouwen.

De health- en educationprogramma’s krijgen ook steun van de regering.

De Gezondheidsprojecten omvatten zowel curatieve als ook preventieve diensten. Speerpunten zijn MCH – moeder en kind klinieken (zwangerenconsultatie en consultatiebureau voor zuigelingen en kleinkinderen, vaccinaties en zo nodig voedselondersteuning), voorlichting over o.a. HIV/Aids, malaria, hygiëne en gezonde voeding,

Voorlichting over “familyplanning” is voor de werkers in een katholieke kerkelijke instelling een dilemma, omdat de kerkleiding het gebruik van ‘onnatuurlijke’ voorbehoedsmiddelen verbiedt. De natuurlijke methodes (periodieke onthouding middels temperatuurmeting of observatie van vaginale slijm zijn hooguit geschikt voor geletterde paren en niet geschikt in een “male dominant society”. De hormoonpil, IUD, ‘prikpil’ en condooms zijn in regeringsziekenhuizen en “dispensaries” gratis verkrijgbaar. Het wordt aangemoedigd ze daar te halen.

Maar gewetensvolle en verstandige gezondheidswerkers in katholieke instellingen vinden hun rol enigszins hypocriet, omdat ze de noodzaak van betere spreiding van zwangerschappen zelf ook inzien. Dr. Mchomvu hoopt dat steeds meer leidinggevende vrouwen op verantwoordelijke posten in kerk en samenleving komen en dat vrouwen steeds meer voor hun rechten op durven te komen.

Op gezondheidsgebied onderhoudt de diocese:

1 healthcenter en 9 dispensaries en participeert ze in het districthospitaal in Same.

Daarnaast onderhoudt ze mobiele gezondheidsdiensten die in afgelegen gebieden opereren en de nomadische gemeenschappen volgen.

Er vinden trainingen plaats voor gezondheidswerkers in de dorpen (“village health workers”) en voor traditionele vroedvrouwen (“rural traditional birth attendants”).

Er zijn veel sociale problemen in het gebied, één daarvan is de vele Aidswezen. Verder zijn er veel ontheemde vroegere werkers in sisalplantages, die ooit uit het zuiden, Iringa en Mbea gekomen waren om hier te werken en die nu, oud en zonder de in Afrika zo nodige familieverbanden, aan de rand van de samenleving een armzalig bestaan leiden. Alcoholmisbruik, verwaarlozing en depressies zijn het gevolg.

Weeskinderen leven voornamelijk bij de grootouders en kunnen vaak niet naar school, omdat de grootouders de kosten voor school en schooluniformen niet kunnen opbrengen. Ook hiervoor wil de kerk hulp bieden, maar heeft niet genoeg middelen om alle nood te lenigen.

In de Kilimanjaroregio is thans een campagne bezig om zo veel mogelijk mensen op HIV te testen, om een beter inzicht in de percentage van besmette mensen te krijgen en om mensen de noodzaak van preventie bewust te maken opdat ze geen anderen besmetten en als ze nog negatief zijn zo te leven dat ze niet besmet worden. Gevreesd wordt, dat juist die mensen die mogelijk al besmet zijn uit angst niet naar de (vrijwillige) test zullen gaan. Sinds 2 jaren is het ook in Tanzania mogelijk om kosteloos met virusremmende medicamenten behandeld te worden. De angst om besmet te worden is daardoor enigszins afgenomen en het besmettingspercentage gaat weer omhoog.

Door de aan de medicamenten verbonden hoge kosten moet op andere gezondheidsmaatregelen bezuinigd worden.

Het was zeer instructief om met Dr. Chomvu van gedachten te wisselen en naar mijn mening is deze zeer bekwame arts de juiste persoon op deze veelomvattende post, maar de problemen zijn gigantisch groot.— Maria

7 september

Het wordt een reisdag. Wij verlaten in de ochtend de ‘elefant-lodge’, waar wij ons inmiddels al een beetje ‘thuis’ zijn gaan voelen. Nog een keer laat ik mij door het ontbijtgebeuren van de kleine aapjes vertederen. Tijdens mijn ochtendwandeling naar de eetzaal zitten ze boven in de bomen rode besjes te snoepen en terwijl de bomen vol vruchten zitten willen ze op een moment allemaal van dezelfde tak eten, krijgen ze luidruchtig ruzie en ontstaat er een druk gespring en gekrijs boven mijn hoofd.

Dan gaan wij op weg naar Moshi over de kaarsrechte asfaltweg. Rode landweggetjes voeren rechts en links het eindeloos lijkende achterland in. Na Same wordt de bebouwing schaarser, een paar verstrooide huisjes met een omheining van doornhekken, soms een kleine concentratie van gebouwen, een paar ‘dukas’ (winkeltjes), een fietsenmaker, en ‘hoteli’ (bar), een enkele benzinepomp. Wegwijzers kom je hooguit op kruispunten van hoofdwegen tegen, maar ook daar moet je niet op rekenen.

Aan de rechterkant van de weg rijzen de Pare Mountains op en in de verte zie je ook links een enkele berg of bergketen, verder veel doornstruiken, af en toe een paar paraplu-acacias of euphorbias, weinig groen en hier en daar een enkele machtige baobab. Na ongeveer 30 km wordt het levendiger op en naast de weg. Wij naderen Mgagau waar vandaag een grote Maasai-veemarkt gehouden wordt.

We bezoeken aan de linkerkant van de weg de veemarkt en treffen daar o.a. oude bekenden uit Lesirwai, die sinds gisteren met hun vee 40 km gelopen hebben en op goede zaken hopen. Ook onze vriend de “village health worker” komt stralend op ons af, hij is met de fiets gekomen. Van alle kanten worden koeien, geiten en schapen aangeboden. Het enige wat ik van een vrouw koop is een gevlochten sisaltouw. Na een poosje steken wij naar de andere kant over. Daar worden o.a. doeken, kleren, schoenen en sieraden aangeboden. Heel wat Maasaitooi gaat als souvenir mee. Op weg naar Moshi steekt voor een paar minuten de sneeuwbedekte top van de Kilimanjaro boven de wolken uit. Later in de middag komen wij in Moshi aan en worden wij naar het Uhuru-Hotel, een hostel van de Lutherse kerk gebracht. Het ziet er allemaal keurig uit en iedereen krijgt een kamer naar zin in het Mawenzi-gebouw. — Maria

8 september

Mrs. Agenta Shayo, coördinatrice van MUHA, haalt ons met een busje op van het hotel. MUHA staat voor Moshi Urban Horticultural Association. Agenta is tuinbouwkundige en heeft een aanvullende opleiding in Engeland gevolgd.

In het centrum van MUHA zit een dertigtal vrouwen en mannen al op ons te wachten. Een rij vrouwen begroet ons al zingend en dansend. Zij zingen onder meer in het Swahili: “Wij hebben niet veel om te zingen”. Zij zijn allen HIV positief en zoeken en vinden steun bij elkaar.Wij worden uitgenodigd plaats te nemen achter een grote tafel en Agenta heet ons hartelijk welkom. Zij vertelt dat MUHA in 1993 is opgericht als een vrijwilligersorganisatie voor voedselhulp aan kinderen en vrouwen uit arme huishoudens. De doelstelling sinds 1995 is om kansarme groepen in staat te stellen aan hun eigen ontwikkeling te werken en hun problemen op te lossen.

MUHA werkt aan een verbetering van de voedingssituatie, de gezondheid en het inkomen van de mensen. Zij richt zich vooral op kinderen tot 5 jaar en zwangere vrouwen (moeder- en kindzorg) en thuiszorg. Ook zet men communicatiegroepen op, waar vrouwen o.a. leren beter te formuleren.

MUHA draagt zorg voor veilig drinkwater en watervoorziening d.m.v. een pomp. In Kaloleini is een boorput gemaakt; in Saranga is een electrische pomp geinstalleerd, mogelijk gemaakt door FEMI uit Nederland.

Er is een “community resource centre” gepland, dat nog niet afgebouwd is; suggesties om dit project te kunnen afronden zijn zeer welkom.

Nadat Piet Wederzijds heeft geïntroduceerd in het Swahili, biedt Karel een gift aan van een reizigster van twee jaar geleden, waarvan wellicht een koe kan worden gekocht; de melk is een welkome bijdrage aan goede voeding. Aan HIV/Aids geïnfecteerden worden tegenwoordig gratis medicijnen verstrekt door de regering, maar als zij geen gezonde voeding krijgen om hun lichamelijke conditie te verbeteren, zijn de aidsremmers minder werkzaam.

Agenta spreekt haar dank uit voor wat Wederzijds het afgelopen jaar voor hen heeft gedaan en ze hoopt op een voortzetting van “good love and pleasure”.

We krijgen koffie aangeboden en maken dan een wandeling langs de mooie tuin met rosella en organisch geteelde groenten. Enkelen van ons nemen een zakje gedroogd rosella mee naar huis om thee van te zetten.

Ook de distributie van deze groenten levert een bijdrage aan gezonde voeding.

De traditionele manier van koken is op drie stenen met hout; wij bezichtigen vier kookplaten waar gekookt wordt in grote ronde potten met gas om hout te besparen.

Met het busje worden we naar een locatie gebracht waar stenen worden gebakken. De jonge mannen zijn hard aan het werk: een groepje levert het materiaal om bakstenen te maken aan en een ander groepje doet het mengsel van grond en water in mallen die in rijen te drogen worden gelegd. Vervolgens worden ze gebakken in een oven. Een vorige groep van Wederzijds heeft dit project ook bezocht en een van de deelnemers heeft na afloop suggesties gedaan om het proces te verbeteren. Wegens geldgebrek heeft men dit nog niet kunnen realiseren. Graag wil men ook een ander stuk grond kopen, zodat daar ook weer bakstenen gemaakt kunnen worden. Zonder financiële ondersteuning ziet men geen kans de plannen te verwezenlijken en men vraagt ons dan ook of wij hierbij kunnen bemiddelen, hoewel men weet dat Wederzijds geen donororganisatie is.

Na de lunch bezoeken we de proeftuin aan de rand van Moshi die we bereiken via een rit door een sloppenwijk. Wat een armoede! Helaas blijft het hek van de tuin voor ons gesloten, omdat de beheerder niet aanwezig is. We zien door de afrastering dat alles groeit en bloeit en dat komt door het water uit de put die daar vorig jaar is geslagen.

De Kaloleini jeugdgroep verwacht ons al; het zijn leiders van kansarme jongeren. Zij voeren zang en dans voor ons uit in een schooltje na de gebruikelijke begroetingen over en weer. De “burgemeester” is tevreden dat hij ons een opgeruimd dorp kan laten zien. Dat heeft hij vorig jaar aan Karel beloofd. In de regentijd is een vuilnishoop een bron van malariamuggen.

We rijden terug naar het Uhuru Hotel via een stop in het centrum van Moshi, waar enkelen van ons een schoenpoetsritueel ondergaan. — Greet

5 september

Op deze zondagmorgen gaan we eerst naar de mis in de kathedraal van Moshi, te voet of met een taxi. We verbazen ons over de enorme menigte die staat te wachten totdat de vorige dienst is afgelopen. Uit de kerk stromen grote aantallen keurig en fleurig geklede mannen, vrouwen en kinderen. Als “onze” mis begint, is de kerk stampvol; ik schat dat er wel duizend volwassenen en ook nog eens duizend kinderen aanwezig zijn. En dan begint de liturgie; jammer genoeg kunnen wij de inhoud van de liederen en van de preek niet volgen (behalve Piet en Maria), maar het is toch heel bijzonder om de sfeer van zo’n Afrikaanse mis te ondergaan.

Als we terug zijn in het Uhuru Hotel, hebben we een goed gesprek met elkaar in de tuin, onder het genot van de zondagse koffie (we blijven Nederlanders!). We hebben tijd en rust om naar elkaar te luisteren en van gedachten te wisselen over de ervaringen die we hebben opgedaan.

‘s Middags gaan we onze eigen gang; enkelen ontmoeten elkaar weer in de tuin of bij het internetcafé. De wereld van het Uhuru Hotel is niet zo groot. Greet

10 september

Na gisteren een rustdag te hebben gehad is het nu weer goed voor een actiedag.

Vandaag bezoeken we projecten van het NGO Maryland-Hepper (Maryland is een plaats gelegen in de regio Moshi) Health, Education, Light Projects Enhancement and Rehabilitation). Dr. Harry Mwerinde is de president van deze NGO.

Het betreffende gebied ligt 30 km. ten zuiden van Moshi. Het ligt in de omgeving van de suikerfabriek T.P.C. (Tanganyka Planting Company )

Het terrein is 30 acre ( 1 acre = 4000 m2 ) groot.

Om half negen neemt chauffeur Jessy ons mee naar het het ziekenhuis waar Harry Mwerinde werkt. Op de weg er naar toe zien we bloeiende ( rode ) bomen. Een geluk voor ons is dat de weg gedeeltelijk geasfalteerd is. Achter wat suikerrietplantages zien we een aangelegde spoorbaan.

We komen op een grote binnenplaats omgeven door kantoren. We worden ontvangen in het kantoor van Harry. Harry vertelt dat hier het aantal malariagevallen is afgenomen van 16 naar 2 %. Deze afname komt door een andere manier van bevloeiing; water in de suikerplantage wordt nu onder de grond geïnjecteerd. Dat voorkomt de vorming van plassen, die broedplaatsen voor de malariaparasiet zijn.

Na het gesprek met Harry worden we naar een kantoor gebracht waar we spreken met het staflid Jaffari Ally. Hij vraagt zich af op welke gebieden Wederzijds en zijn organisatie kunnen samenwerken. Om misverstanden te voorkomen legt Karel dat we geen donor organisatie zijn, maar wel donororganisaties in Nederland proberen te interesseren voor projecten. Verder berichten we over hun projecten in het Contactblad van Wederzijds en in sommige andere kranten.

Hier, zoals overal in Tanzania, is de waterwinning een van de grootste problemen. Er is niet overal water te vinden, zodat veel gebieden ( te ) droog blijven.

Driehonderd hectare land wachten hier op irrigatie. Inschakeling van zonnepanelen komt aan de orde; maar hoe komje aan geld te komen om aan te schaffen?

‘s Middags komen we bij een school voor voortgezet onderwijs. Er wordt nog steeds gebouwd, maar de geldkraan staat ook hier niet ver genoeg open om door te gaan.

Het complex heeft als naam ‘ Langasani’ en is 15 jaar oud. Er wordt gezorgd voor 400 kinderen jongens en meisjes. Een deel van de meisjes overnachten hier. De kinderen komen van ver en om hier te komen is een gevaarlijke onderneming. Vandaar de wens naar uitbreiding van onderkomens, speciaal voor de meisjes.

Wie zien zeven ruimten elk goed voor acht bedden. De jongens moeten nog op hun bivak wachten. Ook de lerarenvertrekken komen we tegen. Er zijn 17 leraren op 434 leerlingen. 20 % van de leerlingen gaat naar hoger onderwijs en/ of privéscholen.

Een week geleden is hier het computerlokaal totaal leeggeroofd. De wachter bij het lokaal werd eerst vermoord. Het is mogelijk dat de dader afkomstig is van het nabij gelegen Kenia.

We gaan nog naar een dorp, Mserikia, waar een gezondheidscentrum gepland is. We komen hier veel kinderen tegen die er zeer armoedig uitzien. Het dorp ligt buiten het TPC gebied. Er wonen hier ex-werknemers van het TPC. Er zijn maar weinig mensen die werk hebben. Water moet per fiets gehaald worden. Een ondiepe waterput is wel aanwezig. Maar het water in deze put is vuil en de oorzaak van veel ziekten. Er groeien op het terrein geen bomen. De grond is daarvoor te zout. Water zit hier op grote diepte; een waterpomp is nog niet aanwezig.

De kinderen zien er, hoewel armoedig, niet ongezond uit. Hun eiwitvoorziening is goed; de mensen kunnen vis uit de nabijgelegen rivier halen. Toch gaan ze niet bij de rivier wonen, omdat die nogal eens overstroomt. Bij de rivier is wel landbouw mogelijk. De verkoop van landbouwproducten brengt wel wat geld op.

Na dit bezoek gaan we terug naar Moshi. We zien de zon vuurrood ondergaan. De zon beschijnt de witte kuif van de hoogste berg in Tanzania. — Thomas

11 september

Deze dag staat in het teken van een “coffee tour”. Op de berghellingen van de Kalimanjaro hebben koffieboeren hun plantage. De koffieplanten zijn in de jaren zestig geplant onder leiding van missionarissen. De koffieplanten hebben vele (groei) jaren nodig voordat de koffieboon geoogst kan worden. Drie jaar geleden is de coffeetour gestart; nu gaat het steeds beter en op eigen kracht. Van begin tot het eind kunnen we van dichtbij het produceren van koffie volgen. Onze eigen bonen plukken is een “must” en ook als laatste het proeven van onze eigen – verse – kop koffie.

De boeren zijn in een coöperatie ondergebracht met de fair trade naam : KNCU Kalimanjaro Native Coöperated Union. De “coffee tour” is opgezet door een Hollander, Harro Boekhold. Doordat er ook een camping aan verbonden is, is het een toeristische attractie geworden. Men kan er overnachten wat ook gedaan wordt, mede door de ligging aan de voet van de berg is deze locatie aantrekkelijk.

We komen na een autorit van 45 minuten langzaam omhoog; we gaan de voet van de Kalimanjaro op. Onze snelheid is niet meer dan 25 km/ uur. We komen op een hoogte van 1800 meter met een geweldig uitzicht. Vanaf deze hoogte worden daarom ook veel foto’s gemaakt van de omgeving. Om ons heen zien we de Tanzaniaanse en Hollandse vlag naast elkaar wapperen in de wind. We komen in een gezellige ruimte.

Rondom ons vertrek zien we jonge koffie planten in kleine potjes staan; ze zullen er vele jaren over doe om “groot “te worden.

Na 49 dagen gaat koffiezaad ontkiemen, waarna ze uitgepland worden. Ze zijn dan na 5 maanden vijf cm hoog. Na negen maanden worden ze verder uitgeplant en dan is het jaren wachten op de oogst. De koffieplant gaat 45 tot 50 jaar mee.

Men verwacht jaarlijks 1500 toeristen voor een coffee tour; ze krijgen uitleg over de koffieverwerking in al zijn facetten.

Het ziet er netjes uit; ook de omgeving is de moeite waard. Veel bloemen en planten verbonden door voetpaden trekken de aandacht. Het is een oase van rust.

Er zijn 80 werkers aanwezig op dit koffieproject waaronder een manager een assistent manager, helpers en gidsen; ieder heeft een (soms aanvullend) inkomen.

We lopen met de heer Carrole Mushi mee; hij begeleidt ons door het “koffie proces”.

We begeven ons naar de koffiestruiken, die in de schaduw van de bananen bomen zijn geplant, en plukken de groen/gele bonen, een intensief werk.

De bonen worden vervolgens in water gekieperd; drijvende bonen worden er uitgehaald . Dit drijven kan vele oorzaken hebben; ze kunnen bijvoorbeeld geïnfecteerd zijn.

Dan laat men ze twee dagen gisten; daarna weer wassen in schoon water.

Na het wassen worden de bonen gedroogd; dit drogen is belangrijk. Er mag 11.5 % vocht in blijven. Ervaring speelt hier een grote rol.

Dan worden de bonen op een koele plaats opgeslagen en drooggestampt om daarna het kaf van het koren te scheiden; de schilfers moeten er uit. Vroeger deed men dat met een dorsvlegel. Roosteren boven een zwak brandend c.q. smeulend vuur geeft de koffie zijn aroma. Na ongeveer 10 minuten, afhankelijk van de hitte, is de koffie boon gereed voor gebruik. Dan komt de ( fijn) maling. De koffie wordt nogmaals gestampt om poeder te krijgen en nu komt de “koffieneus” er aan te pas. De pas gemaaakte koffie kan nu gedronken worden.

De coöperatie veilt de koffie voor 1600 tot 2000 Tanzaniaanse Shilling per kilo.

Daarna bezoeken we een traditioneel Chakaa huis (de mensen die hier wonen behoren tot de Chakaas); een huis dat 200 jaar oud is met een dak van gedroogde bananenbladeren.

Het “huis” is ongeveer 10 meter rond en ook de hoogte zal die maat hebben. We moeten bukken om naar binnen te gaan. Het geheel wordt bij elkaar gehouden door touwen.

Het is er aardedonker. Zelfs een verdieping is er te ontdekken waar geslapen kan worden.

Hier leefde men met een gezin; maar ook enkele beesten kregen er onderdak. Zo kregen de Masaai minder kans om vee te stelen.

Later in de middag bezoeken enkelen van ons een grot. Ook dit was vroeger nodig om zich tegen de Maasai te beschermen. Er is daar ruimte voor meerdere families om onder te duiken; ook beesten hadden er een veilig onderkomen. Een in het bos uitgegraven trap van ongeveer 15 smalle treden brengt ons naar de ingang. Het geheel is weggestopt in het bos en was vrijwel onvindbaar voor indringers.— Thomas

12 september

Op deze dag zullen we uiteindelijk moeten aankomen in Seloto; op mijn kaart is dat niet te vinden. Het is een dorp dat even voorbij Dareda ligt, dat wel op mijn kaart staat. We vertrekken om negen uur. Het weer is bewolkt.. Het zal vandaag wel net zo gaan als op voorgaande dagen, tot zo ongeveer twaalf uur is er bewolking en dan klaart het op en heeft de zon alle ruimte. Zo gaat het deze dag ook weer.

Langs de weg staan borden die waarschuwen voor valwinden. Last hebben we daar niet van. Ik zie wel dat deze winden kleine tornado’s veroorzaken. Niet groot maar soms toch tot wel ruim een meter boven de grond.

Als we Arusha passeren vertelt de chauffeur dat het verkeer in deze stad een ramp is. Met een auto kom je nauwelijks voor uit. Gelukkig behoeven wij niet door de stad en kunnen we rustig doorrijden. We nemen kennis van een bord dat vermeldt dat het kantoor van de ‘Prime Minister’ hier gevestigd is. Even later zien we het “Cultural Heritage”, een zeer modern gebouw dat wat mij betreft detoneert.

Na een korte stop bij het Mesarani Snake park gaat de rit door en ervaren we rond 12 uur de opklaring. Stel dat dit niet gebeurd was dan had het bezoek aan Tarangire Park veel van zijn charme ingeboet.

Om half één, na van ons goed verzorgde lunchpakket te hebben genoten, rijden we het park in. De daken van de busjes zijn omhoog geschoven zodat wij staande naar het wild gedierte kunnen turen; nu ontwaken onze oer jachtinstincten. We zien het wild gedierte, richten en hebbes. Bij onze stop in het park ontwaakte bij een van de apen een heel slechte eigenschap, hij ging uit stelen en nog wel van Greet, ongehoord en ongepast.

Om half vijf zijn we het park weer uit en gaan naar onze bestemming Seloto. Tot aan Babati gaat het prima, de weg naar Dareda moet even gevraagd worden maar dat is verder ook niet moeilijk. Zoals al gezegd viel het daarna wat tegen. Bij navraag werden we met weidse armgebaren de gekozen weg verder op gestuurd. Waar zouden we uitkomen. Uiteindelijk toch in Seloto. Na een korte begroeting door de gebroeders de Nijs worden we ondergebracht in het Kivuku Guest House. Dit onderkomen is eenvoudig met alles wat nodig is. Voor enkele zeer menselijke zaken moet je echter de kamer uit en je wat behelpen. Om 20 uur gaan we eten in een Afrikaans eethuis. Hier kon eindelijk de bierbehoefte van de echte liefhebbers worden bevredigd.

13 september

Deze dag zal wat anders verlopen dan ons programma vermeldt. De heer de Nijs vertelde gisteravond dat enkele recente (voor hem plezierige) persoonlijke omstandigheden in de weg hebben gezeten om de voorbereidingen van onze komst in detail goed af te ronden.

We gingen eerst in het eethuis van gisteravond ons ontbijt van een soort pannenkoeken gebruiken met voor mij zwarte thee.

Na deze start willen we de omgeving wat verkennen. We gaan naar het kantoor van de Nijs (www.liso-tanzania.nl) Josephine de medewerkster van de Nijs gaat met ons mee. Dan blijken er wat probleempjes. We willen foto’s maken maar dat blijkt bezwaren op te leveren. We hadden ons als gasten moeten voorstellen bij de dorpsnotabelen. Piet neemt dit met Josephine voor zijn rekening.

Dan op weg naar het dorp Mandagew. De omgeving daar is heel anders dan rond Seloto, minder groen maar niet verstoken van mogelijkheden zoals nog zal blijken. In het dorpshuis wordt, na het traditionele voorstellen, door jongeren die niet besmet zijn met HIV een zang en dans voorstelling gegeven waarmee ze leeftijdgenoten op de gevaren van HIV/Aids wijzen. We gaan hierna naar de bron die het dorp goede mogelijkheden biedt. Het water ontspringt ergens op de berg en wordt in een betonnen tussenbekken opgevangen en vandaar met buizen naar het dorp en de drinkplaatsen voor de kudden gebracht. Zo’n combinatie van een natuurlijke bron en een technische begeleiding van het water geeft het dorp de mogelijkheid tot ontwikkeling.

In de middag is er in het kantoor van Liso een ontmoeting met een groep oudere HIV/Aids patiënten. Het zijn vijf vrouwen en een man. Zij vertegenwoordigen een groep van vijftien leden, acht vrouwen en zeven mannen. De groep is ontstaan op initiatief van een van de aanwezige vrouwen. Zij heeft in Babati deel uitgemaakt van een soortgelijke groep. Toen ze in Seloto kwam heeft ze het initiatief genomen ook hier een groep te gaan vormen. De vrouwen en de man vertellen over hun persoonlijke omstandigheden. De vrouwen zijn weduwe of door hun man verlaten en bleven met hun kinderen achter. De man leeft samen met zijn vrouw en kind, beide hebben ook Aids. Het remmende medicijn dat zij gratis krijgen zorgt ervoor dat hun conditie redelijk blijft, voorwaarde daarbij is echter dat zij goed en voldoende voedsel hebben. Daar ontbreekt het nogal eens aan. Als groep proberen ze elkaar zoveel mogelijk te steunen. Een bijkomend probleem is dat deze mensen moeilijk werk kunnen vinden omdat ze daar onvoldoende fit voor zijn en de omgeving bang is voor besmetting. Op wereldaidsdag is er wereldwijd op gewezen hoe besmetting plaats vindt. Dat heeft ook in deze streek wel effect gehad maar er blijft toch bij een groot deel van de mensen de onredelijke besmettingsangst. Liso doet zijn uiterste best via de stamhoofden hierin verbetering te brengen. Daarnaast propageert Liso het testen op HIV. Dat geeft niet alleen zekerheid over het al niet besmet zijn, maar als men positief bevonden wordt geeft het recht op het gratis medicijn. Op de vraag uit onze groep hoe de voorlichting naar de mannen is blijkt dat degenen die niet bang zijn positief te worden bevonden zich wel laten testen, de anderen maar moeizaam. Ik begreep dat er langzaamaan toch een kentering komt in het denken over HIV.

De vrouwen vragen om meer steun, zij pleiten voor zowel de nodige medicijnen als de zo belangrijke goede voeding. Uit onze groep komt dan de suggestie of de Moshi Urban Horticulture Association (zie verslag 8 sept) hierin iets zou kunnen betekenen. Piet legt aan de groep uit wat de MUHA is en doet. Tijdens dit gesprek blijkt dat een van de vrouwen in Seloto eigenaresse is van een stuk grond vlakbij de bron van Seloto, de bron die wij vanmorgen vroeg op onze wandeling al zagen. Piet adviseert de vrouwen hiermee een initiatief te nemen om zelf voor goed voedsel te zorgen. Zelf beginnen is belangrijk. Hij adviseert hen met Liso de aanpak te gaan bespreken en via Liso aan MUHA te vragen om advies over de verbouw van voedsel. We beloven dat als de aanpak slaagt wij met elkaar het eerste zaad zullen betalen.

Het was een indrukwekkend gesprek waarin het ‘Wederzijds’ goed tot uiting kwam. — Herman

14 september

Vandaag ontmoeten we Walter de Nijs. Maar eerst gaat Josefine, de assistente van Walter met ons naar Basharet. Karel moet onderweg een register tekenen als we het dorp binnenrijden. Dat is hier de gewoonte. Als de bus stopt worden we vorstelijk onthaald met muziek en dans van de vrouwengroep. We horen steeds Karibu zingen en dat betekent welkom. Welkom uit Holland. Op de T. shirts van de vrouwen staat Liso, de naam van het project waar Walter en de vrouwen bij betrokken zijn.

Er volgt een voorstellingsronde. De vrouwen stellen zich voor. De één spreekt haar naam luid en duidelijk uit, de ander fluistert de naam en is nauwelijks te verstaan. Ook wij moeten ons voorstellen en iets over onszelf vertellen. Het gaat ons een beetje de keel uithangen maar Piet zegt dat het echt niet anders kan. Hij kent de gewoontes en zegt: ja, dit moet je doen, het hoort erbij.

Hier boven op de berg is het flink koud en de wind giert om het gebouwtje. We wisten het en zijn er op gekleed. De zaal is donker en we zien elkaar nauwelijks.

Dit is een groep vrouwen die zich inzetten tegen vrouwenbesnijdenis. de besnijdenis is bij wet verboden maar wanneer er druk wordt uitgeoefend door moeders en tantes is het moeilijk om niet te besnijden. Wel staat er een boete op het besnijden van de meisjes. De vrouwen geven ons twee levende kippen cadeau. We vragen ons af, wat doen we met de kippen? Wie neemt ze op schoot in de bus? Dat valt mee, de pootjes zijn samen gebonden en ze worden zo onder de bank gelegd. Piet bedankt voor het cadeau en houdt zijn verhaal. Hij benadrukt steeds opnieuw, je kunt mensen niet ontwikkelen, mensen ontwikkelen zichzelf. Het zijn woorden van Julius Nyerere. Je kunt soms wel iets aanreiken maar mensen moeten het zelf doen. De vrouwen luisteren aandachtig naar de woorden van Piet. Het is geweldig dat Piet hun taal spreekt.

Iemand zegt: we hebben wel een beetje succes maar het is een lang proces om veranderingen in te voeren.

We wandelen naar een stukje grond bij een telefoontoren. Het is maar een paar vierkante meter. De toren wordt permanent bewaakt door drie stoere mannen. De toren heeft zonnepanelen en zonnepanelen zijn pakgevoelig in Tanzania. Hier rond de toren hebben vrouwen stekjes staan van bomen.

Zij planten zelf bomen, rond een bron om het water schoon te houden en te zorgen dat de dieren het water niet verontreinigen en zij verkopen de stekken.

De burgemeester komt ook nog langs. Hij is zeer geïnteresseerd in ons. Hij vraagt hoe ver de reis was en wat wij thuis zoal eten. Hij dankt God voor onze komst en bidt voor een veilige terugreis. Asanta sana horen we iedereen zeggen bij het weggaan. Asanta sana asanta sana…

Het kost enige moeite Walter te vinden. We rijden dwars door weilanden en sloten. De chauffeur is de weg kwijt. Hier vragen, daar vragen en dan komt Walter. Hij is er opeens.

Hij kan ons veel vertellen en doet dat ook. Hij vertelt dat de vrouwengroep met aids een eind sterker zijn geworden sinds ze als groep optreden. Ook is er een verhaal van een vrouw die voor zichzelf en haar kinderen een huis bouwt met hulp van deze en gene en morele ondersteuning van Walter. Het dorpshoofd zit Walter soms dwars omdat hij geen steekpenningen wil geven. Dit kan ver gaan en Walter wordt dan afgesneden van water.

Je moet wel veel energie hebben om steeds opnieuw te beginnen, denken wij.

We maken een optreden mee van een dansgroep begeleid door drie trommelende vrouwen. Ze trommelen bijna in trance. Deze groep geeft voorlichting met zang en dans over HIV, vrouwenbesnijdenis en malaria. Ze komen in dorpshuizen en op scholen. De groep is blij met Walter en zegt: hij doet veel voor ons. Hij is onze opvoeder en doet goed werk in het district van Babati. Wat is moeilijk in dit werk? Politici die rare verhalen over je vertellen. Mensen die op eigen voordeel uit zijn en je dwars zitten. Je moet altijd je kalmte bewaren en niet boos worden, aldus Walter. De corruptie komt ook nog ter sprake. De regering probeert er iets tegen te doen en dat is hoopgevend.

Natuurlijk gaan we nog ergens theedrinken. De colaflesjes komen op tafel en dan willen we weg. De gastvrouw heeft dit zeker gehoord want ze komt met een enorme pan aanzetten. Die pan staat er niet voor niks. We krijgen rijst en bruine bonen .Heel hartelijk en gastvrij allemaal. We worden uitgezongen en komen aan voor de laatste nacht in ons guesthouse in het dorp Seloto.

Doutje

15 september

We staan al om zes uur op, omdat we een lange reis per bus naar Kalwande moeten maken. Eerst nog even eten bij het restaurantje. We verzamelen ons bij de uitgang van ons guesthouse om vandaar met z’n allen naar het restaurantje te lopen. Herman is er niet. We krijgen de schrik van ons leven. Gelukkig komt Herman ons doodgemoedereerd bij het restaurantje tegemoet. Herman zei: Blij dat jullie zoveel om mij geven”.

Om zeven uur gaan we op weg. De door Walther gehuurde bus ziet er, afgezien van een raam die er niet in zit, redelijk uit.

Anderhalf uur laten begint de bus wat te stinken. De koppeling doet het niet goed. De chauffeur maakt rechtsomkeerd naar een garage. Na drie uur en veel gepruts door allerlei lieden is de bus weer rijklaar. We hobbelen verder over onze zandweg. Bij Singida maken we een stop voor een lunch. Bij deze stad begint op onze kaart een lijn die op een geasfalteerde weg wijst. Inderdaad het klopt, maar we mogen er niet op. Een tweede tegenvaller. We hobbelen voort parallel aan de mooie weg. Bij Iguna is het leed geleden, maar niet wat de bus betreft. De bus heeft problemen met het koelwater. De chauffeur kiest eieren voor zijn geld en dus voor een sukkelgang met zo nu een dan bijvullen van het koelwater. Het wordt al laat. Ik besluit om Epimack te bellen om hem te zeggen dat we pas laat in de avond aan zullen komen. Het alternatief is ergens overnachten met als konsekwentie dat we het programma van de volgende ochtend, een bezoek aan Bujora, moeten laten schieten. Het blijkt toch uiteindelijk geen haalbare kaart om door te rijden. Epimack wordt daarvan op de hoogte gesteld en wij belanden in een prima motel in Shinyanga waar we al het stof van de dag afwassen en zelfs om elf uur nog van een goede maaltijd kunnen genieten. Dat laatste maakt de dag toch weer een beetje goed. — Karel

16 september

We zouden deze dag al in Kalwande, 25 kilometer ten zuiden van Mwanza, moeten zijn, ware het niet dat gisteren zich een oponthoud van ongeveer drie uur voordeed doordat de bus een lekke achterband en problemen met de koppeling en de koeling kreeg. Zodoende vertrekken we deze zondagmorgen om 9.30 uur vanuit motel Shinyanga in de plaats met dezelfde naam. Hierdoor is ons schema anders dan gepland. We hebben nog 150 kilometer te rijden naar Kalwande.

Voor vertrek moet eerst nog even getankt worden. Als we net buiten de bebouwde kom zijn worden we staande gehouden door agenten. Of er even 10.000 shilling betaald kan worden voor “de weg” (komen we in een ander gebied?). Ze moeten genoegen nemen met 2000 Shilling. Corruptie?

Onderweg zien we huizenhoge rotsblokken alsof ze door een onzichtbare hand zijn gestapeld. Soms balancerend op een punt.Keien van 15 meter hoog en de helft in diameter zijn geen zeldzaanheid. We rijden langs katoenvelden en ook zien we wat vaker koeien met hun jonge begeleiders. Even na 12.00 uur komen we in Kalwande. Broeder en gastheer Epimack Malekelwae verwelkomt ons.

We zien de kamers en het “Hollands toilet “. Deze locatie, een trainingscentrum voor handwerkers, is opgericht in de jaren zeventig.

In de middag – tegen drie uur – bezoeken we een ziekenhuis met 1000 “man” personeel.

Het is in de jaren vijftig gebouwd door een bisschop die er terrein heeft gekregen als onderdeel van een katholieke universiteit. Epimack loopt op afdeling ”intensive care” stage; daarom mogen we, na even gewacht te hebben, naar binnen.

Het ziekenhuis is immens groot. We komen terecht in de intensive care, een afdeling die anders voor ons gesloten zou blijven voor bezoek. Er zijn vijftien bedden met evenveel patienten. Eén gordijn is gesloten …..

Vanuit dit centrum rijden we naar Mwanza. We passeren een visverwerkingsfabriek (er zijn er vele), maar ook zien we het bekende Victoria meer voorbijglijden. Het Victoriameer,gelegen op 1000 meter boven de zeespiegel, is het op één na grootste meer van de wereld, zo groot als de Benelux.

We brengen een bezoek aan Martin van der Ven, een witte pater, die Piet goed kent. Koffie en thee worden ingeschonken. Van Martin horen we hoe het meer door waarschijnlijk een explosie ontstaan is. Door enorme regenval heeft het water wel eens 10 meter hoger gestaan. Als bron van de Nijl is het in 1872 ontdekt.

Bij Uganda stroomt het water uit het meer.

In de jaren vijftig is in het meer de zogenaamde nijlbaars uitgezet. Deze vis groeide tot drie meter groot uit waardoor alle kleine vis verdween; ook hun eigen jongen werden het slachtoffer van hun vraatzucht. Alle vis verdween. Nu heeft de nijlbaars weer normale proporties en krijgen andere vissoorten (b.v. de Telapia) weer een kans. Dagelijks wordt 500 ton vis uitgevoerd (in de jaren 80 moest als een vliegtuig met vis in de staart werd uitgeladen eerst de vis er uit en dan pas de passagiers, anders zou het het vliegtuig kiepen!) . Vierduizend mensen werken hier en zijn afhankelijk van visvangst. Ook het bijkomende werk geeft aan tienduizend mensen een inkomen.

Een paar jaar geleden is een documentaire over dit gebied gemaakt genaamd “Darwins night mare “. De documentaire schetst een te negatief beeld van de gevolgen van de introductie van de nijlbaars.

We gaan na ons gesprek door naar een staatkinderenproject (Upenda Daima).

We worden met tromgeroffel ingehaald; acht jongens dansen en twee slaan er op de drum; ook een “fluitist” blaast zijn deuntje mee.

De dansers maken drie passen vooruit en twee achteruit; dat schiet lekker op. Ook een “stokkenploeg ” geeft een voorstelling. Piet geeft na afloop een voetbal cadeau, die in dank wordt aangenomen.

Dan volgt een welkomswoord door Jozef Kubello; hij is manager en leraar.

We krijgen uitleg over deze kinderopvangprojecten waarvan er nog drie in de stad zijn.

Het is een grote familie van 49 kinderen; allen jongens. De limiet is 50. De meisjes hebben een andere locatie. In de vakantie probeert men de kinderen weer naar huis te laten gaan, wat niet altijd even makkelijk is. Geldproblemen of onhandelbaarheid spelen hierbij een rol; soms willen ze zelf ook niet terug. Het komt ook voor dat ouders niet te vinden zijn. Thomas

17 september

Met broeder Epimack gaan we op weg naar de oude ginnery Bukumbie. Deze fabriek waar katoen ontpit wordt is momenteel in bedrijf, omdat er genoeg aanvoer van katoen is.

We worden ontvangen in het kantoor door de manager en tekenen het gastenboek. De fabriek, officieel in bezit van de regering, wordt verhuurd aan een ondernemer die de katoen opkoopt en hier laat ontpitten. De katoen wordt hier afgeleverd in zakken van 50 kilo; er zijn 7 zakken nodig om 100 kilo katoenwol te krijgen.

De huurder van de fabriek heeft een contract voor zes maanden en dan vertrekt hij weer. Er schijnt toch niet zo veel katoen te zijn dit jaar, ondanks de regen. Als er in het begin niet veel regen valt en aan het eind veel, dan bederft de katoen. Helaas zijn er wel veel opkopers, wat een daling van de prijs ten gevolge heeft. Wat er met de seizoenarbeiders gebeurt na sluiting laat zich raden.

De opkoper verkoopt de katoen aan twee Amerikaanse ondernemingen. De prijzen gaan op en neer, afhankelijk van de situatie op de wereldmarkt. Er zijn nog fabrieken in Tanzania waar katoen gesponnen wordt, maar het grootste deel (60 % of meer) wordt geexporteerd. De controle op het gebruik van bestrijdingsmiddelen is in handen van de autoriteiten. Specialisten maken uit wat er wordt gebruikt. Zaad uit de ginnery wordt behandeld met pesticiden.

De kosten van de katoenproductie zijn hoog; de boeren houden maar ¼ deel van de opbrengst (T.Sh. 550.- per kilo) over. De landbouwmethoden zijn nogal verschillend: er wordt met de hand, ploeg of tractor gewerkt en soms wordt er kunstmest gebruikt.

Een slecht katoenjaar geeft een betere prijs.

Na deze uitleg bekijken we de fabriek en zien de katoen van het land, die nog ontpit moet worden (2/3 bestaat uit pitten, 1/3 is vezel). De katoen wordt door een grote buis naar een ander gebouw getransporteerd. Dan worden met behulp van een soort wringer de pitten verwijderd en de zachte katoen blijft over. De katoenpitten worden geperst om er olie uit te halen. De rest kan als brandstof gebruikt worden.

Er zijn veel vrouwen aan het werk die grote hoeveelheden ontpitte katoen vervoeren. De katoen wordt gewogen (er moet precies 181 kilo in een baal katoen zitten), in een gat gegooid, dan met wagentjes naar de pers gereden, tot een plat pak geperst en met de hand naar de opslag gedragen.

We bedanken voor de bezichtiging en rijden een pad op dat naar de hoofdweg leidt. De weg wordt geblokkeerd door een vrachtwagen met ruwe katoen die in de modder vastzit (het heeft ‘s nachts flink geregend). We stappen uit en de chauffeur weet via de berm de wagen te passeren. Om een tweede vrachtwagen voorbij te komen, die ook is vastgelopen, moet een hak gebruikt worden om de wielen van ons busje vrij te maken.

Ondanks een schriftelijke afspraak is er niemand aanwezig bij de Manawa ginnery, waarvan we trouwens al wisten dat hij niet in bedrijf is. We vinden het jammer, dat we zo veel kilometers over zandwegen met diepe kuilen vol water hebben moeten rijden zonder resultaat. Bij een katoenveld maken we foto’s van de bloeiwijze van de katoen en de vrucht en laten ons als groep fotograferen midden in een katoenveld.

‘s Middags geeft broeder Epimack ons een rondleiding over het terrein van het C.D.O. (Church Development Office) en trainingscentrum Kalwande, dat in 1982 gesticht is door broeder Kees Tielemans. De hoofdactiviteit was het assistentie verlenen aan bouwprojecten .Later kwamen er afdelingen lassen, autotechniek en timmeren bij.

In 1985 was Piet (Buijsrogge) hier. Kees had destijds een team vrijwilligers uit Europa, maar nu zijn er in Tanzania mensen die dit werk op zich kunnen nemen. Wel worden er door de kerk nog steeds materialen ingevoerd via Interfreight.

In een van de gebouwen worden ook naaicursussen aan vrouwen van de staf en gehandicapten gegeven. Er worden leerlingen met lager onderwijs en middelbaar onderwijs aangenomen; ook straatkinderen van Upenda Daima kunnen hier een opleiding krijgen. Momenteel zijn er geen leerlingen aanwezig.

We bezichtigen diverse werkruimten zoals:

  • de werkplaats automechaniek; de opleiding duurt 3 jaar; de studenten – de meesten vanaf 18 jaar – zijn intern;
  • de timmerwerkplaats waar momenteel stapelbedden worden gemaakt o.l.v. vaklui;
  • de ruimte waar een schaaf- en zaagmachine staat;
  • de kantine voor 110 leerlingen, waarvan slechts enkele meisjes;
  • klaslokalen, waarvan er dit jaar drie in gebruik zijn genomen;
  • de bibliotheek met boeken van ongeveer 25 jaar oud (uit de periode van Kees Tielemans);
  • enkelen van ons zouden hier graag eens schoon schip willen maken;
  • de laswerkplaats voor metaalbewerking; er is gebrek aan werktuigen; “Gered Gereedschap” zou kunnen helpen;
  • een hostel voor jongens en een voor meisjes die bijvoorbeeld een naaiopleiding kunnen volgen; helaas komen de meesten na de vakantie niet terug om diverse, soms onduidelijke redenen;

Op het terrein, dat eigendom is van het aartsbisdom Mwanza, staan ook de huizen voor leraren. De voornaamste bron van inkomsten is het schoolgeld (T.Sh. 200.000.- per leerling per jaar). De school is door de regering erkend als ambachtsschool.

Aan het eind van de middag rijden we naar de ferry van Kigongo aan het Victoriameer, waar we een prachtig uitzicht hebben en genieten van de bedrijvigheid om ons heen. We drinken de gebruikelijke cola, tangawizi of Kilimanjaro bier, dit keer bij het café van onze chauffeur. Greet

18 september

Nadat we afscheid hebben genomen van de nonnen die ons zo goed verzorgd hebben, vertrekken we onder begeleiding van broeder Epimack uit het centrum in Kalwande naar de luchthaven van Mwanza. We arriveren daar ver voor de inchecktijd en vertrekken om 10.15 uur, een half uur te vroeg (vol is vol?).

Na een prima vlucht van ruim twee uur landen we op International Airport Julius Nyerere in Dar es Salaam. Francesco brengt ons met de taxi naar Hotel Econolodge, voor ons bekend terrein en we gebruiken de lunch boven in “ons” restaurant, waar ons geduld deze keer op de proef wordt gesteld.

We gaan ieder ons weegs (winkelen, internetten, bellen, douchen enz.), totdat we ‘s avonds in een chique Chinees restaurant elkaar weer ontmoeten om gezamenlijk te eten. We genieten van de prachtige ambiance, de correcte bediening en het lekkere diner en vooral van het feit dat we als groep op deze laatste avond van de reis zo gezellig bij elkaar kunnen zijn. — Greet

19 septemner

: Op de laatste dag van onze reis in Tanzania zijn we in Dar es Salaam. Vanavond naar het vliegveld en nu hebben we nog een hele dag. We gaan te voet de stad in. Eerst naar het Nationaal Museum. We komen langs het Askari monument. Het is een man met een geweer en opgedragen aan alle omgekomenen tijdens de Eerste Wereldoorlog. In het museum is veel te zien over de lange historie van het land. Het is een bezoek waard. In de tuin van het museum is een monument opgericht ter herinnering aan de aanslag op de Amerikaanse ambassade in 1998. Er zijn bij de aanslag veel doden gevallen.

Tegenover het museum ligt de botanische tuin. De tuin is goed onderhouden. Maar of er veel te zien is, ik vraag het me af.

De stoep ziet er schoon uit, de regering wil minder straathandel.

Nu gaan we een flink stuk lopen. De een vindt het mooi, de ander is minder enthousiast. We lopen langs de boulevard maar dit is een groot woord voor de stenen en keien en zandhopen waar we tussen door slingeren. Toch wel geweldig een wandeling langs de kust van de Indische oceaan. We komen bij de pont en de vismarkt. Het is een drukte van belang. Mensen, vis, bootjes en grote containerboten komen voorbij. In overdekte vishallen wordt de vis per opbod verkocht. Men gooit de vis op een stuk plastic en op deze partij wordt geboden. Een jongen komt nog snel aangehold met een grote inktvis. Verser kan het niet.

We zitten in het zand op het strand. Het ruikt naar vis en pis. We zouden hier nog uren kunnen blijven zitten. Een man wast zijn handen in zee, iemand zwemt, een vrouw spoelt haar mand schoon en boten groot en klein varen langs.

We willen iets eten, de laatste souvenirs moeten nog gekocht. We zoeken een mooie gelegenheid met terras. Mis gerekend, het is Ramadan en de zaak is dicht. Ergens een snelle hap, echt snel lukt niet. Zelfs bij Mac Donald duurt het lang voordat de broodjes er zijn.

We kopen nog een paar souvenirs en gaan ergens iets drinken. Dan komt Piet: snel naar het vliegveld, de wegen zijn overvol. Veel te vroeg komen we op het vliegveld.— Doutje

19 september (b)

De laatste dag in Dar es Salaam en in Tanzania! Die gaan we goed besteden.

We gaan vroeg op pad en arriveren na een half uur flink doorstappen bij het Nationaal Museum.

De monumentale ingang wordt gevormd door een Arabische poort (zgn. sleutelgatpoort), voorzien van prachtige mozaïeken.

We zien een 1,8 miljoen jaar oude schedel van een “notenkrakerman”, zo genoemd vanwege de enorme kiezen. In deze regio ligt de bakermat van de menselijke beschaving. Op een enorme wandkaart wordt zichtbaar hoe vanuit het Afrikaanse continent stammen via Egypte zijn uitgewaaierd over Azië; er is een verplaatsing geweest naar de Indonesische archipel en ook één via het Verre Oosten over de huidige Beringstraat naar Amerika.

Er wordt in het museum aandacht besteed aan veel interessante thema’s uit het recente en verre verleden, zoals de beschaving op het eiland Kilwa en de slavenhandel via Zanzibar waar slaven uit het binnenland werden doorverkocht naar o.a. Mauritius.

Veel informatie over de Duitse en Engelse koloniale perioden is aanwezig; de periode waarin Julius Nyerere de eerste president van Tanzania was komt ook uitgebreid aan bod. We zien in de hal van het museum een mooie oude Ford staan waar Nyerere in heeft gereden bij de ontvangst van hoge gasten.

In de buurt van het museum liggen de botanische tuinen. Wij maken een wandeling door de prachtig aangelegde tuin, maar omdat het al warm wordt en we daar niets kunnen drinken, begeven we ons al snel te voet naar het ons aangeraden café-restaurant Steers annex boekhandel in het centrum, waar we de inwendige mens kunnen versterken. Zittend op het terras hebben we een goed zicht op het levendige straatbeeld met veel verkeer, mensen die proberen wat te verkopen of op weg zijn naar een afspraak.

We besluiten naar de waterkant te lopen en vervolgens langs de haven de vismarkt te bereiken. Maar het is warm, sommigen van ons zijn nogal moe en de vismarkt is verder weg dan ingeschat. Uiteindelijk komen we aan bij een strandje waar mensen met zeil- en vissersboten in de weer zijn; op deze plek hebben we een schitterend uitzicht over de oceaan. Er loopt net een enorm containerschip binnen. We rusten even uit en bezoeken dan de vismarkt. De grootste drukte op de markt is al voorbij; toch wordt er nog wel vis verhandeld. Op lage tafels liggen grote hopen vis die geveild worden. De aspirant kopers staan al met grote emmers klaar om de gekochte vis in te vervoeren. Het veilen is een levendig schouwspel met regels die wij niet kunnen doorgronden. Zo eigent iemand zich bijvoorbeeld eerst een partij vis toe, stopt die in zijn emmer, om vervolgens de hele partij weer op de tafel te gooien, waarbij over en weer flink geschreeuwd wordt. Wij zijn de enige blanke toeschouwers.

Met twee taxi’s gaan we naar een lunchadres in het centrum, maar helaas: het is gesloten vanwege de Ramadan. Steers is niet zo ver hier vandaan en daarom strijken we daar maar weer neer, dit keer binnen, met airco en veel geluid. Het is ondoenlijk om het juiste aantal flesjes fris te bestellen bij de serveerster, maar dat is nu geen probleem: we zijn allemaal dorstig.

Het wordt langzamerhand tijd om terug te keren naar ons hotel en we begeven ons – weer te voet door de drukke straten (we zitten inmiddels in de spits) richting Econolodge. Onderweg worden nog enkele T-shirts en halskettingen gekocht voor het thuisfront. De meesten willen nog even wat eten in het restaurantje, om zich daarna op te frissen voordat de lange thuisreis aanvaard wordt. Maar dat laatste zit er niet in: we worden gealarmeerd door de taxichauffeur dat het verkeer richting luchthaven muurvast zit en dat we daarom meteen moeten vertrekken om het vliegtuig te halen.

Achteraf blijkt het storm in een glas water te zijn, want we kunnen zonder problemen in één keer doorrijden naar het vliegveld. Zoals gebruikelijk staan er lange rijen voor de controleposten, maar alles gaat voorbij, dus we gaan op een gegeven moment aan boord van het toestel van Swiss Airlines dat ons naar Zürich zal vervoeren. Na wat eten en drinken en een tussenstop in Nairobi gaan de lichten uit voor de nacht en proberen we wat te slapen, maar dat valt voor sommigen van ons niet mee, omdat de beenruimte aan de krappe kant is.

20 september

We stappen nog een keer over in Zürich en dan landen we ‘s ochtends om een uur of negen veilig op luchthaven Schiphol.

— Greet

Comments are closed.